Het doel van het toedienen van klinische voeding bij mensen die ondervoed zijn is:
- Een verbetering van welbevinden;
- Een langere overleving;
- Een vermindering van complicaties;
- Een toename van spiermassa.
Het hoofddoel van klinische voeding is het verbeteren en/of handhaven van de voedingstoestand. Het moeten eten en drinken terwijl dit niet meer lukt, kan leiden tot veel teleurstellingen en strijd. Het niet meer geforceerd eten omdat nu de voeding op een andere manier wordt toegediend, is dan een opluchting.
De nadelen zijn de beperkte bewegingsvrijheid tijdens toediening en het zichtbaar zijn van een slang in neus of huid en de slijmvliesirritatie door de sonde.
Wanneer er een reële kans op genezing bestaat, wordt klinische voeding ondanks de nadelen vaak aanbevolen. Als genezing niet meer mogelijk is, wordt daarmee echter terughoudend omgegaan. Klinische voeding wordt in de palliatieve fase (fase waarin geen sprake meer is van genezing, maar alleen van verlichting van de symptomen) alleen toegepast als bij een redelijke levensverwachting een mechanische belemmering in het maagdarmkanaal aanwezig is, waardoor er geen passage van normaal eten mogelijk is. De betrokkene zelf ziet klinische voeding namelijk als een medische behandeling en durft vaak niet te stoppen met klinische voeding.
Ook de familie hecht veel waarde aan het gebruik van klinische voeding. Vaak wordt gedacht dat er dan nog hoop op genezing is. |